In wereldpremière tijdens Antwerp Spring Festival: Veni Creator Spiritus “muziek als moreel compas”

Sinds de jaren 1970 geldt Pēteris Vasks (*1946, Letland) als een van de meest uitgesproken moreel-spirituele stemmen binnen de Baltische muziek. Oorspronkelijk contrabassist ontwikkelde hij zich als componist in een context van Sovjetrepressie en ecologische ontwrichting, en binnen een uitgesproken luthers-humanistisch waardenkader. Die biografische achtergrond is geen voetnoot bij zijn oeuvre, maar maakt er de kern van uit. Voor Vasks is spiritualiteit immers geen stoffig dogma maar een existentiële noodzaak. Ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag bestelde Casco Phil een nagelnieuw werk voor koor en strijkorkest bij de Letse componist, dat op 22 april in wereldpremière gaat tijdens het Antwerp Spring Festival in de Antwerpse Handelsbeurs. Daags na de voltooiing van zijn Veni Creator Spiritus ging Casco Phil in gesprek met de componist, die vanuit het ijskoude Riga bescheiden reflecteert over wat het vandaag betekent om muziek te schrijven als moreel kompas.

*een eerdere versie van dit interview verscheen op detoonbank.be

Casco Phil © Nika Prokopenka

Met Veni Creator Spiritus kies je voor een liturgische tekst met een lange geschiedenis, ook binnen de muziek. Wat maakt die tekst voor jou zo aantrekkelijk, en waarom net nu?
Sinds honderden jaren grijpen talloze generaties componisten naar dezelfde Latijnse teksten. Dat kan natuurlijk geen toeval zijn. Ik heb zelf ook meerdere werken geschreven op Latijnse tekst, maar de precieze liturgische oorsprong ervan is voor mij minder van belang. Hier in Letland is overigens maar een klein deel van de bevolking katholiek, het merendeel is protestants. Mijn vader was pastor, zelf ben ik een gelovige man maar geen katholiek. Er is hier dus niet bepaald een noemenswaardige traditie wat de oorspronkelijke inhoud van de teksten zelf betreft. Ook in dit werk zal je zien dat ik heel spaarzaam en kieskeurig omga met de tekst; ik gebruik er maar twee strofes van. Voor mij gaat het eerder om een bijna magische aantrekkingskracht die uit deze oude Latijnse teksten straalt, die ik moeilijk kan verklaren maar die zeker breder is dan de liturgische oorsprong ervan.

Uw werken worden vaak omschreven als spiritueel, maar nooit als dogmatisch. Wellicht gaat het dan om iets persoonlijkers dan over het overbrengen van de historisch beladen boodschap van de tekst.
Ik vind het altijd moeilijk om over mijn eigen muziek te spreken, maar als het dan toch moet, dan liever vanuit de actualiteit dan vanuit eeuwenoude tradities. We leven in moeilijke tijden. De dreiging van onze grote buur (Rusland, nvdr.) hebben we ondertussen begrepen, maar de kwestie in Amerika komt nu ook op ons af. Dat houdt mij wakker. Spiritualiteit gekoppeld aan actualiteitswaarde zit altijd in mijn werk. In mijn vroegste composities werkte ik ook vaak met liturgische teksten, maar dat was binnen het communisme absoluut verboden. Daarom ben ik me lange tijd gaan toeleggen op instrumentale muziek, omdat ik daar veel vrijer was. De controle van het communistische regime was daar minder beperkend, en bij instrumentale muziek hoefde je geen compromissen te maken. Ik zocht daar vaak een muzikale dialectiek op tussen enerzijds kracht, agressie en brutaliteit en anderzijds ingetogen spiritualiteit die uiteindelijk altijd de bovenhand kreeg. Zo zat dat spirituele of geestelijke er altijd al mee in. Op een bepaald moment vroeg mijn vader: “Wanneer componeer je eindelijk eens een Onze Vader, dat in gemeenschap kan worden gezongen?” Ik vond toen dat ik daar nog niet klaar voor was; de tijd was nog niet rijp. Toen mijn vader overleed, heb ik een Onze Vader geschreven, eerst in het Lets en dan in het Latijn. Dat was een beetje een kantelpunt om opnieuw explicietere spirituele thema’s op te zoeken.

De ‘spiritus’ (of geest) die je in het werk aanroept, is dus geen christelijke godheid?
Nee. Voor mij is die ‘spiritus’ een levenskracht die in ons allemaal aanwezig is, en die we kunnen aanwenden als een moreel kompas in sterk gepolariseerde tijden. De mensen lijken vandaag hun spiritualiteit wat verloren te zijn; alles gaat maar door, mensen lopen zichzelf voorbij en nemen de tijd niet meer om stil te staan bij het spirituele. Dat is de boodschap die ik wil uitdragen met mijn werken: vergeet niet dat er ook iets méér bestaat dan kopen en verkopen, méér dan business, business, business. Dat is een heel belangrijk thema voor mij. De tekst van Veni Creator Spiritus leent zich daar toe, en krijgt op die manier opnieuw de vorm van een gebed; een actuele bede, maar ook bijna een boodschap van hoop. De boodschap dat er iets onsterfelijks in ons zit dat de dagelijkse haast overstijgt.

De combinatie van koor en strijkorkest zien we wel vaker in jouw werken. Waarom is dat zo’n goede combinatie?
Het is inderdaad mijn lievelingsbezetting, als je dat zo kan noemen. Vroeger zou ik een dergelijk werk geschreven hebben voor koor en orgel, maar dat klinkt toch meteen een stuk kouder. Strijkers zijn mijn favoriete instrumenten omdat ze samen echt kunnen zingen, net zo warm en passioneel als een koor. Op die manier wordt Veni Creator Spiritus een dubbelkorig gezang. Geen van beide componenten is leidend, het zijn evenwaardige partijen. Het koor fungeert hier automatisch als drager van tekst en dus van betekenis, maar veel meer nog is het een klanklaag in gesprek met een ademende strijkerstextuur.

De partituur van je nieuwe werk leest strikt tonaal, met als basis langzaam opgebouwde klankstructuren, steeds opgebouwd uit spaarzame diatonische cellen. Er zit ook een duidelijke verticaliteit in: aanroepende melodieën neigen naar boven, met woorden als ‘spiritus’ (geest), ‘pectora’ (harten) en ‘lumen’ (licht) steeds geplaatst op de topnoten. Tegelijk volgt de muziek ook de prosodie van de tekst: maatwisselingen zijn ingegeven door het metrum van de woorden en de cadans van de zinnen. De spanningsbogen van tekst en muziek kan je dus netjes op elkaar leggen…
Die opbouw komt voort uit de onderliggende idee van een muzikaal gebed; die boodschap moet kloppen, en ook overkomen. De meeste van mijn werken beginnen uit stilte, en dat doe ik hier ook. Een langzame opbouw culmineert in een soort uitbarsting, om dan terug uit te doven in een verstillend gebed. Die uitbarsting, als we het zo dan maar noemen, zie ik als een gebalde bede om kracht en verbondenheid uit liefde. Als individuele mens ben je zwak, maar in elk leven brandt er iets eeuwigs. Je moet je leven, dat je één keer hebt, met maximale levenslust beleven. Dan loont ons korte bestaan.

Dat klinkt als wijze woorden van een componist met heel wat biografische bagage. U alludeerde er al even op, maar hoe ziet u als componist de gepolariseerde wereld van vandaag? Wat betekent het vandaag om een religieuze of spirituele componist te zijn?
In onze gepolariseerde tijd hecht ik veel waarde aan nederigheid. Daarom is het melodisch materiaal van mijn werk bescheiden, en de opbouw niet overdreven complex. Vele jaren heb ik niet meer op deze wereld (6 dagen voor de wereldpremière wordt Vasks 80, nvdr.), dus op mijn leeftijd heb ik geen tijd meer om over brutaliteit en agressie te schrijven. Dus de groteske contrasten die ik vroeger opzocht zijn er wat uitgegroeid. Of toch zeker in mijn vocale muziek. Bovendien neemt voor mij de spirituele aantrekkingskracht van oude teksten toe met de jaren. En de boodschap is actueel genoeg: mensen zijn zo gefocust op hun materialisme dat ik meer dan vroeger de drang voel om een smeekbede de wereld in te sturen. Laat je ziel niet zomaar bedwelmen, maar sta stil en kijk wat vaker naar boven. Kijk wat voor een grandioos universum wij bewonen, en vergeet niet dat er iets bestaat dat je als individu overstijgt. En wees daar dankbaar voor.

  • tekst door Arne Herman

Volgende
Volgende

Gloednieuw concerto in première op Antwerp Spring Festival “Nieuw werk ontdekken vind ik het leukst van al”